Campagnespot: UIT OVERTUIGING


     

Bijdrage Roel Kuiper aan het debat over de samenwerkingsschool

roel-kuiper-vierkant-600x600dinsdag 11 juli 2017 23:11

Vandaag debatteerde de Eerste Kamer over de Wet samen sterker door vereenvoudiging samenwerkingsschool. Senator Roel Kuiper heeft namens de ChristenUnie-fractie een zeer kritische bijdrage geleverd. Deze kunt u hier nalezen.

Voorzitter,

De behandeling van dit wetsvoorstel over de samenwerkingsschool brengt ons midden in een ideologische en constitutionele strijd over artikel 23 van de Grondwet. Bij een meer gematigde houding van het kabinet was deze strijd vermijdbaar geweest. Immers, de samenwerkingsschool kan bestaan, als uitzondering op het duale stelsel dat wij kennen. Daar kunnen velen in dit land, ook mijn fractie, prima mee leven. Maar wat nu voorligt gaat veel verder en moet tot heroverweging leiden.  De staatssecretaris zoekt hardnekkig ruimte voor een nieuwe type samenwerkingsschool waarin vooral hijzelf ondanks veel kritiek blijft geloven. Daarbij gaat hij tegen diverse adviezen in. Er moet kennelijk iets nieuws gecreëerd worden, terwijl nog niet duidelijk is of dit nu de vorm is waaraan het veld behoefte heeft.

Het is bijzonder dat er hier in de Eerste Kamer een wetsvoorstel voorligt waarvan de Raad van State tot twee keer toe heeft gezegd dat deze strijdig is met artikel 23 Grondwet. Dat oordeel is niet alleen gegeven aan het begin van het wetgevingstraject, maar ook naar aanleiding van het gewijzigde wetsvoorstel dat hier is ingediend, voorafgaand dus aan de behandeling in de senaat. Voor de Eerste  Kamer, waar kwaliteit en rechtmatigheid van wetgeving belangrijke begrippen zijn en waar gewone wetgeving wordt getoetst aan de Grondwet, moeten dan de  alarmbellen afgaan. Hier ligt dus een wet op tafel waarvan op een aantal punten en bij herhaling door de RvS is gezegd dat deze een uitleg aan de Grondwet geeft die niet kan. Dat betekent: niet door laten gaan. Wel door laten gaan heeft een prijs: het schaadt de grondregels van het onderwijsbestel dat sinds 1917 bestaat en gedragen wordt door een constitutioneel akkoord van betekenis, een van de grote codificaties die tevens een pacificatie was. De afweging om de wet niet door te laten gaan is er ook. Het is goed mogelijk nog even aan te zien wat er van onderop aan het ontstaan is rond de informele samenwerkingsschool. 

Het is ook niet duidelijk wat nu het overwegende motief is van de staatssecretaris en dat maakt dit voorstel onhelder. Er kunnen drie motieven worden onderscheiden. In de eerste plaats de dreiging van opheffing van scholen en daarmee de continuïteit van scholen. Dat is het motief dat door iedereen begrepen wordt en waarover consensus bestaat. De samenwerkingsschool moet zich beperken tot deze uitzonderlijke situatie en dat was ook steeds het uitgangspunt van wetgeving. Een tweede motief is echter de wens een versoepeling en verruiming te bewerkstelligen van de mogelijkheden een samenwerkingsschool te vormen. Daarbij verwijst de staatssecretaris naar veranderingen in de maatschappij, en geeft aan een ‘modernere invulling’ van uitgangspunten die in het verleden gehanteerd zijn. Het is de vaagheid van deze termen die vragen oproepen bij mijn fractie. Als de samenwerkingsschool een uitzondering moet blijven in het duale bestel, dan strijdt het motief van versoepeling en verruiming daarmee. Wat bedoelt hij nu precies? Dan is er nog een  derde motief, namelijk het openen van de mogelijkheid voor openbare schoolbesturen een samenwerkingsschool te vormen. Hiermee wekt het wetsvoorstel de indruk dat het de staatssecretaris te doen is om de versterking van de positie van het openbaar onderwijs. Dat zal zich, gelet op de reikwijdte van de wet, aanzienlijk kunnen versterken door zich te ontfermen over de samenwerkingsschool. Dat lijkt een ideologisch ingegeven motief en zou hier eigenlijk geen rol moeten spelen. Dit drietal motieven lopen voortdurend door elkaar en maken onhelder waarom dit wetsvoorstel in deze vorm nodig is.  

Dan zijn er de bezwaren van de Raad van State waarop geen afdoende reactie is gekomen van de kant van de staatssecretaris. Het eerste bezwaar betreft de strekking van de wet die ervoor zorgt dat een zodanig groot aantal scholen binnen de criteria valt om samenwerkingsschool te worden dat niet meer gesproken kan worden van een uitzonderingssituatie. Het antwoord van de staatssecretaris op dit bezwaar bevredigt niet. Wanneer een derde van de scholen in het primair onderwijs in aanmerking komt samenwerkingsschool te worden is er geen sprake meer van een uitzonderingssituatie. Dit levert strijd op met de Grondwet die in de samenwerkingsschool geen reguliere variant ziet binnen het duale bestel. Het gaat hier dus niet om het werken met getallen en graduele verschillen daartussen, maar om wat die getallen zeggen en de strekking van de wet, die een aanzienlijke ruimte mogelijk wil maken voor samenwerkingsscholen, ook buiten dunbevolkte gebieden. Over die strekking en betekenis willen we graag de staatssecretaris bevragen. Het tweede punt dat strijd oplevert met de Grondwet is de figuur van een openbaar bestuur met overwegende overheidsinvloed dat levensbeschouwelijke neutraliteit moet waarborgen, maar dat als taak krijgt om bijzonder onderwijs mede aan te bieden. Dat is de kwadratuur van de cirkel. Het antwoord van de staatssecretaris, namelijk dat het hem gaat om gelijkwaardigheid, is gewoon geen antwoord op dit principiële punt. Het advies van de RvS is helder: een samenwerkingsschool kan volgens de Grondwetgever niet in stand worden gehouden door een stichting voor openbaar onderwijs. Hier is geen woord Frans bij; de gewone  wetgever zal dit moeten accepteren. Waarom heeft de staatssecretaris niet overwogen die element helemaal uit de wet te halen en de situatie op dit punt te laten zoals die is?

Het duale onderwijsstelsel is bedoeld om een uitdrukking te geven aan de pluraliteit die leeft onder de Nederlandse bevolking. Naast het openbaar onderwijs, dat neutraal en algemeen-toegankelijk is, is er het bijzonder onderwijs waarin levensbeschouwelijke overtuigingen en richtingen zich kunnen uitdrukken in het onderwijs. Dat levert vaak mooie vormen van betrokkenheid en maatschappelijke steun op. Beide vormen – openbaar en bijzonder – veronderstellen elkaar en hebben elkaar nodig. Om bijzonder te kunnen zijn heeft het bijzonder onderwijs het openbaar onderwijs nodig en andersom. Dat is de zin van het duale stelsel. Een teveel aan overheidsregie brengt hier evenwichten aan het wankelen. De Grondwet beoogt ruimte te scheppen voor de richtingen en onderscheiden overtuigingen in het onderwijs. De samenwerkingsschool moet dus de uitzondering blijven om dit beginsel binnen het bredere onderwijs te blijven respecteren.  

De staatssecretaris wijst op het probleem dat scholen met dalende leerlingenaantallen niet kiezen voor de huidige wettelijke vormgeving. Dat probleem zou voorzien moeten worden van duidelijker informatie over wat er op het grondvlak gebeurt. Wat ons betreft zou nader onderzoek hier nodig zijn. De wetgever komt hier te snel met conclusies. Het is de vraag of zij zich door dit nieuwe wettelijke kader uitgenodigd zullen voelen een formele samenwerkingsschool te vormen. Die wens kan wel de vader van de gedachte zijn, maar het is zeer de vraag of dit wel gaat gebeuren. Veel scholen voor bijzonder onderwijs zullen dit geen aantrekkelijke route vinden. Een stichting voor openbaar onderwijs zal het algemene en openbare karakter van de school moeten behartigen. Dat zal de dominante cultuur worden en daar kan een identiteitscommissie niet veel aan veranderen. De vraag moet worden gesteld aan welke behoefte een dergelijke inrichting tegemoet komt. Waarom niet voortgebouwd op wat zich nu in de praktijk aandient?

Voorzitter, dit wetsvoorstel verdient naar de mening van mijn fractie heroverweging. Constitutionele principes komen in geding bij een voorstel waaruit niet overtuigend spreekt dat ze een doorslaggevende oplossing biedt of meerwaarde zal hebben in de praktijk. Wij vinden niet dat de samenwerkingsschool er op deze manier onder zoveel overheidsregie moet komen. We menen ook dat er niet een controverse moet ontstaan rond artikel 23 van de Grondwet. Die prijs vinden wij te hoog. Niettemin zien we uit naar het debat en de antwoorden van de staatssecretaris.       

« Terug